Reflux chez les bébés & médicaments | Reflux bij baby's & medicatie
Reflux bij baby's komt vaak voor
Gastro-oesofageale reflux, het terugstromen van melk of maaginhoud naar de slokdarm, komt voor bij ongeveer de helft van de baby's jonger dan drie maanden. Meestal verdwijnt reflux spontaan tegen de leeftijd van één jaar.
Alleen wanneer reflux ernstige of aanhoudende klachten veroorzaakt, kan verdere evaluatie en eventueel een behandeling met medicatie, zoals protonpompinhibitoren (PPI's), aangewezen zijn.
Ongeveer 1 op de 13 baby's krijgt refluxmedicatie
Uit de studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen blijkt dat ongeveer 7,1% van de baby's tijdens het eerste levensjaar minstens één keer refluxmedicatie afgeleverd krijgt.
Hoewel het gebruik de voorbije jaren licht daalde (van 7,6% in 2016 naar 7,1% in 2024), blijft het aandeel baby's dat deze medicatie krijgt relatief hoog. In België werden 178 afleveringen van refluxmedicatie per 1.000 pasgeborenen geregistreerd.
Belgisch gebruik ligt hoger dan in verschillende Europese landen
Ook in vergelijking met andere Europese landen valt het Belgische gebruik op.
Ter vergelijking:
- in Noorwegen kreeg slechts 1,1% van de pasgeborenen refluxmedicatie tijdens de eerste elf levensmaanden
- het aantal afleveringen per 1.000 pasgeborenen ligt ook hoger dan in Denemarken (46,6) en Zweden (18,9)
- het Belgische gebruik ligt in lijn met de beschikbare cijfers uit Frankrijk (162 voorschriften per 1.000 kinderen jonger dan twee jaar).
Behandeling duurt vaak meerdere maanden
De studie toont ook aan dat het gebruik niet beperkt blijft tot korte behandelingen.
Kinderen die refluxmedicatie krijgen, worden er tijdens hun eerste levensjaar gemiddeld meer dan twee maanden mee behandeld.
- 4 op de 10 gebruikers nemen de medicatie minstens twee maanden
- Bijna 1 op de 5 krijgt ze minstens vier maanden.
Deze berekening is gebaseerd op de standaarddosering voor volwassenen. Omdat jonge kinderen doorgaans lagere dosissen krijgen, is de werkelijke behandelingsduur vermoedelijk nog langer.
Protonpompinhibitoren (PPI's) zijn over het algemeen veilige geneesmiddelen. Bij langdurig gebruik kunnen ze echter het risico verhogen op maag- en darminfecties, allergische reacties of astma. Daarnaast kunnen ze het evenwicht van de darmflora verstoren.
Grote verschillen tussen regio's en voorschrijvers
De studie brengt ook belangrijke verschillen in het gebruik van refluxmedicatie aan het licht.
Verschillen tussen de regio's
In Wallonië krijgt 13% van de baby's tijdens het eerste levensjaar minstens één keer refluxmedicatie, tegenover ongeveer 4% in Vlaanderen en Brussel.
Ook naar geslacht en sociaaleconomische situatie zijn er verschillen:
- jongens krijgen vaker refluxmedicatie dan meisjes (8,0% tegenover 6,2%)
- pasgeborenen uit gezinnen zonder verhoogde tegemoetkoming krijgen deze geneesmiddelen vaker voorgeschreven dan baby's uit gezinnen met een verhoogde tegemoetkoming (7,3% tegenover 5,3%)
Kinderartsen spelen een sleutelrol
Kinderartsen schrijven ongeveer driekwart van alle eerste voorschriften voor refluxmedicatie uit.
De studie toont bovendien een aanzienlijke variatie tussen individuele voorschrijvers. De helft van de kinderartsen schrijft refluxmedicatie voor aan maximaal 1,5% van de kinderen jonger dan één jaar die zij minstens één keer hebben gezien, terwijl een kwart van de kinderartsen de medicatie voorschrijft aan minstens 3,2% van deze jonge patiënten.
Deze verschillen moeten wel voorzichtig worden geïnterpreteerd. Ze kunnen onder meer samenhangen met verschillen in patiëntenpopulatie, de ernst van de klachten, verwijzingspatronen tussen zorgverleners en het feit dat de analyse enkel gebaseerd is op de ledenpopulatie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen.
Correcte informatie helpt onnodige behandelingen voorkomen
Voor de Onafhankelijke Ziekenfondsen benadrukken de resultaten vooral het belang van goede informatie voor ouders en zorgverleners, en van een zorgvuldige evaluatie van de klachten.
Bij veel baby's zijn refluxklachten onschuldig en verdwijnen ze spontaan. Ouders geruststellen, de groei van het kind opvolgen en praktische adviezen geven, vormen vaak de eerste stap. Wanneer toch een medicamenteuze behandeling wordt opgestart, is het belangrijk om regelmatig na te gaan of die behandeling nog nodig is.