Lockdowns, steunmaatregelen en uitgestelde zorg hebben impact op arbeidongeschiktheid

Tijdens de twee lockdownperiodes in 2020 daalde het aantal getuigschriften voor arbeidsongeschiktheid.

Thema
Arbeidsongeschiktheid
Datum

Tijdens de twee lockdownperiodes in 2020 daalde het aantal getuigschriften voor arbeidsongeschiktheid, vergeleken met diezelfde periodes in 2019. En dat zowel voor psychosociale als lichamelijke aandoeningen. Uitgestelde zorg als gevolg van de pandemiemaatregelen, tijdelijke werkloosheid en bijbehorende steunmaatregelen lijken aan de basis te liggen van deze daling.

De voorbije jaren zagen we steeds hetzelfde: het aantal arbeidsongeschiktheden en langdurige arbeidsongeschiktheden nam voortdurend toe. Maar in maart 2020, bij de start van de eerste lockdown, werd een eerste invloed van de coronacrisis op de arbeidsongeschiktheden duidelijk. Op dat moment ontstaat er een nooit geziene piek in het aantal getuigschriften ‘aanvang arbeidsongeschiktheid’. Dit getuigschrift is nodig om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen. Op deze piek volgde vrijwel meteen een scherpe daling in april en mei 2020.

Consulteer de volledige studie hier

Uitzonderlijke dalingen

Tussen mei en oktober 2020 lijken de cijfers vervolgens op die van de jaren voordien. Maar in november en december 2020 zien we opnieuw een grote terugval van het aantal getuigschriften ‘aanvang arbeidsongeschiktheid’. Zulke schommelingen in cijfers gebeurden ook de voorbije jaren, maar nooit zo uitgesproken. Ondanks de hevige piek in maart 2020, die in een eerder studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen werd aangetoond, hebben de uitzonderlijke dalingen in april-mei en november-december ertoe geleid dat het totale aantal nieuwe getuigschriften voor arbeidsongeschiktheid voor het eerst lager lag ten opzichte van het jaar voordien: 69.536 in 2020 ten opzichte van 74.157 in 2019.

Lockdowns en thuiswerk

Hoe verklaren we deze opvallende cijfers in april-mei en november-december? Waarschijnlijk spelen de lockdowns van 17 maart 2020 tot 5 april 2020 en van 2 november tot 13 december 2020 een belangrijke rol. Tijdens die periodes werd thuiswerken de norm. Voor de lockdowns werkte ongeveer een vierde van de werkende bevolking soms of regelmatig thuis. Tijdens de lockdownperiodes steeg dit tot ruim boven 30 %, met pieken tot 39 % in mei en november. Het is dus plausibel dat thuiswerken aanleiding geeft tot minder aanvragen voor ziekteverlof omdat men zich psychosociaal beter voelt. Dat blijkt ook uit het feit dat 2 op de 3 personen die door de coronacrisis meer telewerken, daar tevreden mee zijn . Maar ook het lichamelijk welzijn lijkt te verbeteren door het thuiswerk: een afname in het aantal contacten leidt immers tot minder overdracht van ziekten. Dit wordt gestaafd door het kortstondig ziekteverzuim dat in 2020 7,4 % lager lag dan in 2019, ondanks een piek in maart 2020 (62 % hoger dan in maart 2019).

Uitstel van preventieve en curatieve zorg 

Een andere mogelijke oorzaak van deze daling in arbeidsongeschiktheid is het uitstel van zowel preventieve als (niet-dringende) curatieve zorg. Wat hier vooral opvalt, is een daling in het aantal ziekenhuisopnames, vooral door de maatregelen opgelegd door de overheid. In de eerste lockdown zien we een daling van 47 % in het aantal ziekenhuisopnames, ten opzichte van 2019. In de tweede lockdown waren er een kwart minder opnames.

Steunmaatregelen 

Tussen 2019 en 2020 daalde het aantal werkenden en ook de werkgelegenheidsgraad van de 15-64-jarigen ging naar beneden. Daar tegenover staat dat het aantal werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen steeg met 3 % ten opzichte van 2019. Om deze laatste stijging te vergelijken: ten gevolge van de bankencrisis in 2009 was er een toename van 7,5 %. In 2020 gingen meer mensen op pensioen voor de leeftijd van 65 jaar dan in 2019: 11,6 % meer werknemers en 3,6 % meer zelfstandigen.

De overheid creëerde verschillende steunmaatregelen, zoals tijdelijke werkloosheid omwille van COVID-19 voor werknemers en het crisis-overbruggingsrecht door corona voor zelfstandigen. Beide steunmaatregelen zijn veelgebruikt: in april waren er 1.145.571 werknemers in tijdelijke werkloosheid door COVID-19 en 413.915 zelfstandigen deden een beroep op het crisis-overbruggingsrecht (Figuur). Voor 2020 komen de totale uitgaven voor deze maatregelen neer op respectievelijk 4,26 miljard euro en 3,37 miljard euro.  Het is mogelijk dat personen die normaal in arbeidsongeschiktheid terecht zouden komen, een beroep hebben gedaan op deze steunmaatregelen. Er is een duidelijke link tussen een hoog gebruik van de steunmaatregelen en een laag aantal nieuwe getuigschriften arbeidsongeschiktheid (Figuur) na maart 2020. Tijdelijke werkloosheid gaat immers vaak om korte periodes, net zoals arbeidsongeschiktheden van korte duur. De kans is dus groot dat een daling van de arbeidsongeschiktheden van korte duur in relatie staat tot de stijging van het aantal personen in tijdelijke werkloosheid.